Effectieve vormen van deskundigheidsbevordering

    Deskundigheidsbevordering van leerkrachten staat in de belangstelling. Ook op het gebied van cultuureducatie. Aan welke voorwaarden moet dit voldoen om effectief te zijn?

    Noodzaak, tijd en geld
    De rijksoverheid wil de komende jaren de kwaliteit van cultuureducatie in het primair onderwijs verbeteren en daarvoor zijn deskundige leerkrachten nodig. Leerkrachten missen echter inhoudelijke handvatten, voelen zich niet voldoende onderlegd en zijn onzeker over hun kennis en vaardigheden in de kunstvakken. Bijscholing is dus wenselijk. Dit staat in het advies Cultuureducatie: leren, creëren en inspireren! van de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur.
    Maar leerkrachten en scholen hebben nou niet bepaald eindeloos veel tijd en geld om hun kennis en vaardigheden (in de kunstvakken) op peil te brengen en te houden. Het is daarom zaak om de deskundigheidsbevordering niet alleen efficiënt, maar vooral ook zo effectief mogelijk te laten verlopen. Wat zijn daarvoor de uitgangspunten?

    Belangrijkste bevindingen uit de interviews
    Scholing voor leerkrachten is effectief wanneer deze aansluit bij de interesses, behoeften en lespraktijk. Het leren aanbrengen van samenhang tussen kunst- en andere vakken of het daadwerkelijk integreren ervan, wordt als belangrijk ervaren. Het aanleren van vaardigheden in de kunstvakken (voorgedaan, eigengemaakt en ingeoefend) draagt eraan bij dat leerkrachten zich vrijer voelen en meer zelfvertrouwen krijgen. Daarnaast is het belangrijk dat er draagvlak is bij de school. Scholing zou zich moeten richten op het leren gebruiken van onderwijsmethoden.

    Los van de bevindingen over effectieve scholing, bepleit een aantal geïnterviewden een duidelijke omschrijving van leerdoelen in de vorm van een doorlopende leerlijn, precies zoals dat voor andere vakken ook is gebeurd. Dat zou de leerkracht helpen bij het formuleren van zijn lesdoelen en bij het doelgericht werken met cultuureducatie.

    Literatuur
    Een goede bron voor inzichten over effectief leren is het boek Effectief leren van Ebbens & Ettekoven (2005). Voor de auteurs staat effectief leren voor: meetbaarheid, gerichtheid op eindresultaat, gerichtheid op ontwikkeling en verandering, een omschreven leeropbrengst, een omschreven beginsituatie of beginniveau, rekening houdend met individuele verschillen. Leren zou zich moeten richten op beheersing, beklijving en verankering, en op wendbaarheid en flexibel gebruik.

    Verschillen en overeenkomsten
    Leren van en over kunst verschilt in een aantal opzichten van het leren van bijvoorbeeld taal. Bij leren over kunst gaat het om een heel eigen manier van ervaren, denken en creëren: via beelden, dans, muziek of drama. Kennisverwerving in de kunst is fundamenteel anders dan bijvoorbeeld kennisverwerving in het logisch-mathematische of linguïstische domein. Leren door en over kunst is een sensomotorisch, affectief, (meta-)cognitief, creatief, en sociaal proces van embodied, imaginative cognition en creativiteit.

    Dat het aanleren van vaardigheden anders verloopt dan het aanleren van kennis beschrijft Marzano (1992). Hij onderscheidt vaardigheden en kennis: bij vaardigheden is er sprake van doen en uitvoeren; bij kennis gaat het om weten. In veel leersituaties worden zowel kennis als vaardigheden gevraagd.

    Aanknopingspunten
    Met het onderscheid tussen vaardigheden en kennis kun je overeenkomsten benomen tussen cultuureducatie en de andere leerdomeinen. Zo hebben leerkrachten didactische kennis en vaardigheden nodig bij zowel het onderwijzen van cultuureducatie als bij de niet-kunstvakken. Deze overeenkomst biedt aanknopingspunten voor het inrichten van effectieve vormen van deskundigheidsbevordering.

    Dat kan ook aansluiten bij de bevindingen van Van Veen, Zwart, Meirink en Verloop (2010) over wat de meest effectieve manier van leren is door leerkrachten. Zij concluderen op basis van een studie naar de professionele ontwikkeling van leraren: ‘Het leren van leraren lijkt het meest effectief als de inhoud les-gerelateerd is en goed ingebed in de eigen lespraktijk, en als leraren zelf actief en onderzoekend leren, samen leren, en daar voldoende tijd en ruimte voor hebben’.